Juryrapport 2006

 

Juryrapport mr Saskia de Jongh: Heeft de strafrechter speelruimte op het voetbalveld?

Juryrapport mr Patrica van Dienst: Recht rond agressief gedrag op het voetbalveld.

 


Toespraak van de voorzitter van de jury Mr. O.J.H.M. van Eijndhoven, bij de uitreiking van de scriptieprijs:

 

Voor het eerst in haar bestaan heeft de jury geoordeeld dat de Prof. Mr N.J.P. Giltay Veth Scriptieprijs 2006 van de Vereniging voor Sport en Recht, ter beschikking gesteld door de Rabobank Nederland, aan twee winnaars moet worden toegekend, die beiden ex aequo op de eerste plaats zijn geëindigd.

Dit is bijzonder omdat in de dertien voorafgaande jaren het de jury altijd is gelukt door wikken en wegen om, zoals eigen is aan sport, tot het huldigen van één winnaar te komen. Dit keer is dit niet gelukt omdat twee kandidaten zo close zijn geëindigd, dat zelfs na langdurige bestudering van de finishfoto en na uitvoerig beraad de conclusie van de jury geen andere kon zijn dan dat voor het eerst een uitzondering moest worden gemaakt. Het Scriptiereglement staat aan die uitzondering niet in de weg.

De beslissing van de jury verkrijgt een extra dimensie omdat beide scripties over hetzelfde onderwerp gaan: de met een gestrekt been uitgevoerde grove overtreding van Sparta-speler Bouaouzon op Go Ahead-speler Kokmeijer tijdens het eerste divisieduel tussen beide verenigingen op 17 december 2004, met voor Kokmeijer blijvend ernstig letsel als gevolg.

De coïncidentie dat beide scripties hetzelfde onderwerp hebben, heeft voor de jury niet meegewogen om tot haar uiteindelijk oordeel te komen dat beide scripties niet de scriptieprijs dienen te verwerven. Nadat eerst was vastgesteld dat beide scripties de besten waren van de in totaal zeven scripties – het verschil in goede kwaliteit tussen de scripties was overigens dit jaar niet erg groot – bood deze coïncidentie de jury wel de gelegenheid om de scripties ook inhoudelijk goed met elkaar te vergelijken. Dat vergelijkingseffect wordt nog eens verstrekt doordat de beide winnaars naar aanleiding van deze beruchte overtreding zich in hun scripties hebben gebogen over de civielrechtelijke aansprakelijkheidsaspecten, de tuchtrechtrechtelijke aspecten en de strafrechtelijke aspecten en de jury daardoor in staat was zich een oordeel te vormen over het in kaart brengen van de juridische problematiek, de diepgang van het onderzoek en de volledigheid van zowel de in de studie betrokken relevante juridische aspecten als de verwijzingen naar relevante literatuur en jurisprudentie. De beide winnaars komen ter zake overigens tot dezelfde conclusie dat de rol van het strafrecht zich moet beperken tot uitzonderlijke situaties en dat overtredingen tijdens spelsituaties alleen tuchtrechtelijk dienen te worden bestraft.
De winnaars hebben daarnaast in relatie tot de overtreding ieder afzonderlijk nog aandacht besteed aan één ander onderdeel - de één aan de arbeidsrechtelijke aspecten van de overtreding en de ander aan de verhouding tussen burgerlijk recht, tuchtrecht en strafrecht – waardoor de jury toch weer met een verschil tussen beide scripties werd geconfronteerd. Juist dit verschil heeft er uiteindelijk toe geleid dat de jury tot het oordeel is gekomen dat bij wijze van uitzondering beide scripties moesten worden gehonoreerd.

De jury merkt voorts nog op dat zij het een goede ontwikkeling vindt dat studenten een actuele gebeurtenis tot onderwerp van hun scriptie maken. Daardoor wordt niet alleen voorkomen dat telkens dezelfde thema’s het onderwerp van een scriptie vormen, maar het noopt de studenten tevens tot wetenschappelijk onderzoek op, in dit geval, gecombineerde rechtsgebieden, zodanig dat het de scribenten noodzaakt tot een grotere eigen inbreng. Zij kunnen zich immers niet verlaten op datgene wat literatuur en rechtspraak over het betreffende onderwerp reeds leren. Anders gezegd: het stimuleert het wetenschappelijk onderzoek en dat is precies wat de Vereniging voor Sport en Recht als wetenschappelijke vereniging met haar scriptieprijs beoogt.

Ik lees u nu het juryrapport over de beide scripties voor.

 

Juryrapport: mr Saskia de Jongh 

 

De jury is van oordeel dat de Prof. Mr N.J.P. Giltay Veth Scriptieprijs 2006 van de Vereniging voor Sport en Recht dient te worden toegekend aan:

mr Saskia de Jongh

voor haar scriptie:
Heeft de strafrechter speelruimte op het voetbalveld?

De overtreding van de profvoetballer Bouaouzon op zijn collega Kokmeijer wordt door Saskia de Jongh in haar scriptie allereerst benaderd vanuit de civiele aansprakelijkheid waarna zij er de tuchtrechtelijke en strafrechtelijke aspecten bij betrekt om aan het eind van haar 63 pagina’s tellende scriptie de verhouding tussen burgerlijk recht, tuchtrecht en strafrecht aan de orde te stellen.

Nadat Saskia de Jongh uitgebreid is ingegaan op de aspecten van het aansprakelijkheidsrecht gaat zij nader in op de aansprakelijkheid van de werkgever voor overtredingen als de onderhavige. De scribente concludeert dat de werkgever uit hoofde van de wet aansprakelijk is te achten voor door zijn werknemer veroorzaakte schade, ook wanneer het om beroepsvoetballers gaat, maar dat de werkgever op de in art. 6:170 lid 3 BW opgenomen ontsnappingsmogelijkheid een beroep kan doen wanneer de veroorzaakte schade het gevolg is van opzet of bewuste roekeloosheid van de werknemer, waarbij blijkens de wetsgeschiedenis een ernstig verwijt aan de werknemer moet kunnen worden gemaakt.

Saskia de Jongh meent voorts dat zowel bij de beoordeling vanuit aansprakelijkheids-, arbeids-, tuchtrechtelijke en strafrechtelijke optiek een onderscheid moet worden gemaakt tussen overtredingen in de directe spelsituatie en daarbuiten. Voor het aansprakelijkheidsrecht vloeit dit voort uit het Natraparrest. Voor de arbeidsrechtelijke aspecten acht zij het van belang waar de overtreding op het veld is begaan, omdat een overtreding in het strafschopgebeid eerder zal leiden tot de conclusie dat de speler de overtreding in het belang van de werkgever heeft begaan dan bij de middelcirkel, terwijl het onderscheid tussen overtredingen in de directe spelsituatie of daarbuiten voorts van belang is voor de tuchtrechtelijke en met name voor de strafrechtelijke bestraffing. De strafrechterlijke bewijsvoering is immers aan strengere regels onderworpen dan de tuchtrechtelijke bewijsvoering. Die bewijsvoering brengt in de zaak Bouaouzon volgens haar mede dat opzet niet kan worden bewezen, wel directe schuld.

Saskia de Jongh komt uiteindelijk tot de conclusie dat bestraffing van overtredingen als de onderhavige niet in het strafrecht thuis hoort omdat het tuchtrecht van de KNVB zelf kan voorzien in een voor de voetbalsport passende sanctie.

De scriptie van Saskia de Jongh kent actualiteitswaarde, is ‘to the point’, is goed geschreven met een toonzetting waaruit beheersing van de materie blijkt. Hoewel de besproken problematiek meerdere rechtsgebieden omvat, is de scriptie compact van opzet en is het voor hen die zich op dit terrein willen oriënteren een handzaam en gedegen naslagwerk.

De scriptie is om al deze redenen te prijzen.


De Jury. Zeist 9 november 2006

Mr. O.J.H.M. van Eijndhoven Mr F.C. Kollen Mr E.C.B. Adriaanse Mr M.J.M. Boetekees
(voorzitter) (secretaris) (lid) (lid)

 

Juryrapport mr Patrica van Dienst

 

De jury is van oordeel dat de Prof. Mr N.J.P. Giltay Veth Scriptieprijs 2006 van de Vereniging voor Sport en Recht dient te worden toegekend aan:

mr Patrica van Dienst

voor haar scriptie:
Recht rond agressief gedrag op het voetbalveld.

Zoals de titel van de scriptie al verraadt, staat in de scriptie van Patricia van Dienst het agressief gedrag op het voetbalveld centraal. Na een inleiding waarin verschillende agressietheorieën worden uiteengezet, volgt een uiteenzetting over tuchtrecht en de tuchtrechtspraak van de KNVB, waarna Patricia van Dienst aandacht besteedt aan onderscheidenlijk de arbeidsrechtelijke, aansprakelijkheids- en de strafrechtelijke aspecten die zich openbaren na een zeer zware en ernstige overtreding op het voetbalveld.

De te onderzoeken probleemstelling is door Patricia van Dienst als volgt verwoord: “Welke rol, moet er naast verenigingsrechtelijk tuchtrecht, arbeidrecht en/of civiele recht zijn weggelegd voor het strafrecht in geval van agressief gedrag van een voetballer in wedstrijden.” Het resultaat van dit onderzoek is beschreven in een in boekvorm uitgewerkte scriptie van maar liefst 155 pagina’s (netto, derhalve zonder inhoudopgave en zakenregister), welke omvang uitzonderlijk te noemen is.

Patricia van Dienst komt tot de conclusie dat in relatie tot het eventueel eveneens toepassen van strafrecht het noodzakelijk is een onderscheid te maken tussen agressief gedrag in een directe spelsituatie en daarbuiten, welke onderscheidt zij vooral baseert op de bewijsrechtelijke problemen die een officier van justitie zal ondervinden bij het bewijzen van de wederrechtelijkheid of het onvoorzichtig handelen van een speler tijdens een spelsituatie. Daarbij zal volgens haar bij mishandeling tevens sprake moeten zijn van voorwaardelijke opzet en bij zwaar lichamelijk letsel van bewust of onbewuste schuld.

Toch is dit niet de enige reden waarom de scribente uiteindelijk tot de conclusie komt dat terughoudendheid bij de tussenkomst van de strafrecht bij ernstige overtredingen in de sport gepast is en dat een louter tuchtrechtelijke afdoening te prevaleren is. Weliswaar is er bij zowel een tuchtrechtelijke als een strafrechtelijke afdoening van dezelfde overtreding geen sprake van een inbreuk op het ‘ne bis in idem-beginsel’ maar zij vreest dat er wel sprake kan zijn van een strijdigheid met het evenredigheidsbeginsel, wat in gezamenlijkheid tot buitenproportionele sancties kan leiden. Die disproportionaliteit is volgens haar alleen aanvaardbaar wanneer de strafrechter in zijn uitspraak tevens rekening houdt met eerder opgelegde tuchtrechtelijke sancties. Het zou volgens haar de sportwereld er toe moeten bewegen de tuchtrechtelijke sancties bij ernstige overtredingen nog aan te scherpen.

De wijze waarop naar aanleiding van de probleemstelling de juridische aspecten in onderlinge samenhang worden behandeld, maken de scriptie door het beschrijvende en inventariserende karakter tot een vademecum voor de juridische vraagstukken die zich voordoen bij een zeer ernstige overtreding op het sportveld. De scriptie is daardoor niet alleen voor de praktijk van praktische betekenis, maar biedt tevens voldoende aanknopingspunten voor nader wetenschappelijk onderzoek.

De scriptie is op een heldere, zeer prettig leesbare wijze geschreven met een toonzetting die verraadt dat de auteur de materie goed beheerst en wel op zodanige wijze dat het de juryleden, ondanks de omvang van de scriptie, geen moeite heeft gekost deze scriptie vrijwel zonder onderbreking te lezen.


De Jury, Zeist 9 november 2006

Mr. O.J.H.M. van Eijndhoven Mr F.C. Kollen Mr E.C.B. Adriaanse Mr M.J.M. Boetekees
(voorzitter) (secretaris) (lid) (lid)